|
Paul drinkt melk van de koe. Paul is in de wei. Hij ziet daar een paard. En ook een koe. De koe eet gras. Het paard lust hooi. Het paard trekt de kar. De koe geeft melk. De melk is voor de boer. Hij doet de melk in een bus. Wil jij ook wat melk, vraagt de boer. Dat wil hij graag. Daar wordt Paul sterk van.
|
|