|
Sjoerd wordt zeeziek. Sjoerd mag mee op reis. Hij gaat met de boot. De boot vaart de zee op. Sjoerd kijkt naar het land. Dan voelt Sjoerd de wind langs zijn wang. De boot gaat op en neer. De boot gaat heen en weer. Sjoerd ziet de zee eerst hoog. Sjoerd ziet de zee dan laag. Hij krijgt het warm. Hij krijgt het koud. Sjoerd spuugt in de zee. Hij wil niet meer mee.
|
|