|
Koen bouwt een berg op het strand. Koen gaat naar het strand. Hij heeft een schep bij zich. Hij maakt een berg. Toet toet, hoort Koen. Daar vaart een schip op zee. Koen zwaait naar het schip. Dan voelt Koen de zee. Zijn voet wordt nat. Een golf eet van de berg. Hap, hap, hap en weg is de berg. Koen is boos op de zee. Hij pakt zijn schep en gaat naar mama. Ze geeft Koen een kus.
|
|