|
Vissen. Ik ga naar het park. Daar is een groot meer. In het meer zwemt een vis. Ik leg een lijn uit. Aan de lijn zit een haak. Daar doe ik dan aas aan. De vis hapt al in het aas. Nu kan hij niet meer weg. Zo, een vis heb ik nu al. Maar ik ga nog niet weg. Ik wil nog een vis. Vang ik nu nog een vis? Ja hoor, er zit er nog een aan.
|
|