|
Henk werkt bij de boer. Het is heel vroeg. Het is pas zes uur. Wim staat al op. Hij moet al heel vroeg weg. Hij eet snel zijn brood. Ook drinkt hij zijn melk. Dan gaat hij op weg. Met de auto rijdt hij naar zijn werk. Weet je waar hij werkt? Hij werkt bij een boer. Daar melkt hij een koe. Dat vindt de koe heel fijn. En Wim vindt dat werk heel leuk.
|
|