|
Juf viert feest. De juf viert feest. Ze is echt jarig. Joep neemt een roos voor haar mee. De juf vindt dat heel fijn. Dat is pas een mooie roos, zegt juf. Zet die maar gauw in een vaas. Anders gaat hij nog dood. De vaas staat in de kast. Joep doet een heel leuk spel. Hij krijgt ook nog snoep. Die dag was het best leuk op school. Bent u morgen weer jarig, vraagt Joep. Nee, zegt juf, dat duurt nog een jaar.
|
|