|
Pim verdwaalt op de markt. Geef mij maar een hand Pim, zegt mama. Pim wil dat niet en zegt: ik blijf wel bij je. En nu is mama weg. Pim weet wel waar hij zelf is. Hij staat bij de drop. Mama, mama, zegt hij zacht. Mama, zegt hij hard. Mama, gilt Pim. Pim loopt over de markt. Pim ziet de vis. Pim ziet de kaas. Pim ziet het snoep. Pim ziet zijn mama! Jij was weg, zegt Pim. Mama geeft hem een kus en een hand.
|
|