|
Piet gaat naar school. Het is half twee. De schoolbel gaat. De juf is in de gang. Ga maar naar de klas, zegt ze. Piet gaat met Jos de klas in. Piet gaat snel zitten. Hij pakt een mooi boek. Hij begint te lezen. Dan komt de juf in de klas. Ze begint met de les. Piet doet gauw het boek weer weg. De les gaat over de zee. Dat vindt Piet wel leuk.
|
|