|
Frits gaat met de trein mee. Frits gaat op reis met de trein. Mama koopt voor Frits een kaartje. Frits houdt zelf zijn kaartje vast. In de trein is het druk. Frits en mama staan bij de deur. De deur gaat dicht. De trein rijdt weg. De trein schudt heen en weer. Frits schudt ook heen en weer. Hij kijkt door het raam. Ook de koe in de wei schudt heen en weer. Wordt de melk van de koe nu zuur, vraagt Frits. Mama lacht en schudt heen en weer.
|
|