|
Wim heeft straf. Het is heel stil in de klas. De kinderen zijn naar huis. De school is uit. Wim zit in de klas. Hij leest in een boek. Hij wil erg goed zijn best doen. Maar juf is heel boos op Wim. Wim praat steeds in de klas. Dat mag niet van juf. Lees maar goed door, Wim. Dan mag je vast snel naar huis. Wim rent snel naar huis. Als moe maar niet boos is, denkt hij.
|
|