|
Vliegeren. Koos en Pim staan in de wei. Koos heeft een vlieger bij zich. Waar blaast de wind naar toe? Pim steekt zijn hand in de lucht. Deze kant op! zegt hij. Dan gaan we zo staan, zegt Koos. Houd jij de vlieger vast, dan rol ik het touw al vast uit. Een twee los! Koos rent weg. De vlieger gaat de lucht in. Hij staat nu heel hoog in de lucht. Het touw is op. Dan breekt het touw. Krak! Oh, de vlieger vliegt weg. Kom hier, zegt Koos en hij huilt. Kom op, ik maak er wel een voor je, zegt Pim.
|
|