|
Kees en Klaas zitten in een kar. Kees en Klaas lopen in het bos. Daar zien ze een kar staan. Ze kruipen in de kar. De kar gaat niet vooruit. Kees stapt eruit. Hij duwt de kar. Ze komen bij een heuvel. Van schrik laat Kees de kar los. De kar vliegt naar beneden. Pats, boem tegen een boom. Kees rent naar Klaas. Klaas, Klaas, gaat het? Klaas krabbelt overeind. Ja hoor!
|
|