|
De merel wil een vrouwtje. De merel wil een vrouwtje. Hij zit hoog in de boom. Daar fluit hij mooie wijsjes. Zijn snavel houdt niet stil. Van hard naar zacht. Van zacht naar hard. Hij kijkt steeds om zich heen. Welk vrouwtje kan hem horen? Zit ze daar op het dak? Ja, ze fluit een antwoord. Nu vliegt ze naar hem toe. Twee merels zitten op hun gemak nu samen op de tak.
|
|