|
Ik ben ziek. Els en Bart zijn op school. Piet, Renate en Marja ook. Ik niet, ik lig op de bank. Mijn hoofd doet pijn. Al het eten komt eruit. Dat geeft een vieze smaak. Ik lees een boek en val in slaap. Mijn moeder doet de was. Dan brengt ze drinken naar mij toe. Een glas met appelsap. De school is nu al bijna uit. Ik kijk steeds op de klok. De bel gaat. Hoi, ik krijg bezoek!
|
|